Interfisc | Met de auto van de zaak de grens over (deel 2) - Interfisc
8649
post-template-default,single,single-post,postid-8649,single-format-standard,ajax_updown_fade,page_not_loaded,boxed,wpb-js-composer js-comp-ver-6.0.5,vc_responsive

Met de auto van de zaak de grens over (deel 2)

 

Met de auto van de zaak de grens over (deel 2)

In deel 1 van deze serie is de situatie besproken hoe een Belgische onderneming in Nederland haar producten wilde verkopen door een Nederlandse verkoper in dienst te nemen. Om de afzetmarkt te bedienen heeft de werkgever aan hem een auto van de zaak toegezegd. Er zijn in dat artikel een aantal opties uitgewerkt om die toezegging vorm te geven. Inmiddels hebben zich een aantal wijzigingen voorgedaan waardoor de situatie voor de Belgische onderneming er weer anders uitziet. In deel 2 ga ik in op de fiscale gevolgen van de auto van de zaak met Belgisch kenteken in Nederland.

De casus

De Belgische onderneming, producent van industriële snijmachines, heeft afscheid genomen van de Nederlandse verkoper. De markt in Nederland blijft echter dermate interessant waarop de onderneming heeft besloten het aandachtsgebied van de verkoopster van België uit te breiden naar Nederland. Zij woont met haar gezin in Ukkel, België, de onderneming is gevestigd nabij Brussel. De verwachting is dat zij drie tot vier dagen per week in Nederland zal zijn. Gezien de reisafstand heeft zij bedongen dat de onderneming voor haar woonruimte huurt in de buurt van Utrecht (centrale ligging) om niet dagelijks heen en weer te hoeven rijden. Ook is haar een grotere bedrijfswagen (auto van de zaak) op Belgisch kenteken ter beschikking gesteld om die grote afstanden comfortabel af te leggen.

Op het eerste gezicht lijkt er niets aan de hand. De werkneemster blijft in België wonen, rijdt in een auto met Belgisch kenteken, heeft een Belgische arbeidsovereenkomst, dus heeft zij verder niets met Nederland te maken. Toch bevat deze casus een aantal bouwstenen, of eigenlijk dominostenen die, als er één omvalt, grote gevolgen kunnen hebben.

De motorrijtuigenbelasting

In Nederland wordt het houden van een personenauto, volgens de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: mrb), gezien als een belastbaar feit (Artikel 1). In artikel 6 en 7 wordt het begrip “houden” nader gespecificeerd en zo wordt, voor deze casus relevant, een motorrijtuig gehouden door degene die een in het buitenland geregistreerd motorrijtuig in Nederland feitelijk ter beschikking heeft (mrb art 7 lid 1, letter c).

Dus in beginsel is er motorijtuigenbelasting verschuldigd over de bedrijfswagen met Belgische kentekenplaten. Nu kent de mrb vrijstellingen voor bijvoorbeeld vuilniswagens, taxi’s en defensievoertuigen en ook in deze casus kan een vrijstelling van toepassing zijn. Op grond van artikel 73 van de wet, wordt vrijstelling verleend voor motorrijtuigen die zijn geregistreerd in het buitenland en in Nederland feitelijk ter beschikking staan van natuurlijke personen die hun hoofdverblijf buiten Nederland hebben (mrb, artikel 73, lid 1, letter a). Op basis van de uitvoeringsregeling kan vrijstelling worden verleend voor de duur van de arbeidsrelatie.

De Belgische onderneming zal de wagen niet laten registeren in het Nederlandse kentekenregister, anders is er ook bpm (Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992) verschuldigd.

Hoofdverblijf buiten Nederland

Eén van de bouwstenen in deze casus die hier een rol kan gaan spelen, is de ter beschikking gestelde woonruimte in Nederland. De verhuurder kan stellen dat de bewoner zich bij de gemeente moet inschrijven. Echter, de verkoopster is een EU onderdaan en mag hier in Nederland ongelimiteerd verblijven. Verder heeft zij geen relatie met de Nederlandse overheid, zij ontvangt bijvoorbeeld geen Nederlands pensioen en hoeft zich niet te registreren als niet-ingezetene (RNI). Als zij dat wel doet, is gelijk de vrijstelling voor de motorrijtuigenbelasting niet meer van toepassing.

De crux hier is dat zij fiscaal in België woont met haar gezin. Zo’n situatie moet altijd heel feitelijk beoordeeld worden. Als zij een alleenstaande vrouw was geweest met een huurwoning in België had het plaatje er anders uitgezien en was mogelijk de conclusie geweest dat de uitkomst van de  beoordeling van de woonplaats was uitgekomen op Nederland.

Vaste inrichting

Een ander punt wat de bouwstenen kan laten omvallen (lees: er ontstaat belastingplicht in Nederland), is dat de Belgische onderneming door de werkzaamheden van de verkoopster en verdere invulling van de feiten een vaste inrichting in Nederland creëert. Het voert te ver voor dit artikel om hierop in detail in te gaan, maar een aantal punten wil ik wel benoemen.

Tot de taken van de verkoopster behoren het in Nederland aan de man brengen van de producten van de Belgische onderneming. Hiermee ontstaat nog geen vaste inrichting, maar van belang is hoe de onderneming zich presenteert in Nederland. Functioneert de woonruimte in Nederland tevens als een ontvangstruimte voor klanten, hangt er een naambord van de onderneming aan de woning? Dit kunnen indicatoren zijn waarop de belastingdienst kan reageren door een onderzoek in te stellen of er inderdaad sprake is van een vaste inrichting.

Naast de taken van de verkoopster is ook van belang wat de bevoegdheden zijn van haar. Is zij bevoegd contracten te sluiten en de onderneming juridisch te binden dan kan haar verblijfplaats in Nederland worden aangemerkt als een plaats waar managementactiviteiten plaats vinden.

De bewijsplicht om te stellen dat er sprake is van een vaste inrichting ligt weliswaar bij de belastingdienst maar het is een onderwerp wat zeker aandachtig moet worden bekeken als een buitenlandse onderneming haar activiteiten naar Nederland uitbreidt.

Moet er nog Nederlandse loon- of inkomstenbelasting betaald worden?

Als de conclusie is dat er sprake is van een vaste inrichting, is de Belgische onderneming vanaf dag één inhoudingsplichtige en moeten zij op het loon wat ziet op Nederland loonheffingen inhouden en afdragen. De bedrijfswagen zal, als onderdeel van haar beloning, naar Nederlandse maatstaven in de loonbelasting worden betrokken, dus bijtelling op basis van de Nederlandse cataloguswaarde.

De ter beschikking gestelde woonruimte kan, onder voorwaarden, onbelast worden gelaten.

Als zij drie tot vier dagen in Nederland werkt, zal zij waarschijnlijk onder de 183 dagen in Nederland verblijven maar omdat er sprake is van een vaste inrichting in Nederland is niet aan alle drie voorwaarden van de “183 dagen regeling” (Belastingverdrag tussen Nederland en België tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, artikel 15 lid 2).

Als eenmaal geconstateerd is dat er sprake is van een vaste inrichting zal dat door de belastingdienst als kapstok worden gebruikt om ook vennootschapsbelasting te innen.

Conclusie

De Belgische onderneming kan de verkoopster, die inwoner is van België, zonder fiscale consequenties in Nederland inzetten. Zij kan, met een vrijstelling voor de mrb, in Nederland met de bedrijfswagen met Belgische kentekenplaten rijden. Er moet wel naar het hele feitencomplex worden gekeken omdat handelingen als het registeren bij de gemeente waar de woonruimte gehuurd wordt, consequenties heeft voor die vrijstelling.

Een ander belangrijk punt om bij stil te staan, is om na te gaan wat de taken en bevoegdheden zijn van de verkoopster. Als de belastingdienst uit het feitencomplex concludeert dat er sprake is van een vaste inrichting dan ontstaat er belastingplicht voor de loonbelasting en de vennootschapsbelasting.

Voor de Belgische onderneming is het van belang om vooraf professionele hulp in te roepen en zich niet op één onderdeel (de bedrijfswagen) te fixeren. Ook is het van groot belang om de betrokken werknemer te informeren wat consequenties zijn als er in een ander land gewerkt wordt en wat eventuele valkuilen zijn.

Heeft u vragen?

Neem contact met ons op:

PUBLICATIES:

Interfisc Grensoverschrijdend werken

Dit artikel is geschreven door Remco den Haan, Tax Manager bij Interfisc Consult B.V. en gepubliceerd in het vakblad Grensoverschrijdend werken, nr. 22, mei 2019

Publicatiedatum: 04 /07 /2019